Verder kijken dan de index; waarom je tracker je minder beschermt dan je denkt
Wie vandaag een indexfonds koopt, is minder gespreid dan hij denkt. Breder spreiden kan op de beurs, met factorbeleggen, en daarbuiten, met private equity bij de beste beheerders.
Door Sam Desimpel en Steven Nuyts
Spreiding wordt wel eens de enige gratis lunch in de beleggingswereld genoemd. De voorbije vijf jaar waren gouden jaren voor wie zijn spaargeld in trackers parkeerde. Wie in 2019 100 dollar in de ‘Magnificent Seven’ stak, had begin dit jaar zowat 1.204 dollar. Dezelfde 100 dollar in de andere 493 bedrijven van de S&P 500 werd 247 dollar. Proficiat met dat resultaat. Toch loont een tweede blik.

Of de biljoenen dollars die naar datacenters vloeien ook economisch renderen, is nog niet uitgemaakt. Of de huidige taalmodellen de grote winnaars worden, evenmin. Wie herinnert zich nog Netscape? Het internet veranderde alles, maar Netscape was niet het bedrijf dat won.
Een dure markt hoeft niet te crashen. Goldman Sachs verwacht voor de S&P 500 de komende tien jaar 6,5 procent rendement per jaar. Tegelijk staat de Amerikaanse tienjaarsrente boven 5,3 procent, ongeveer evenveel als het winstrendement op aandelen. Een belegger krijgt dus nauwelijks extra vergoeding voor het risico van aandelen.
Dat concentratierisico mag je niet negeren. Spreiding is de beste bescherming voor een belegger die zelf niet kan ingrijpen in de bedrijven waarin hij belegt. Wie bij trackers blijft, kan kijken naar een gelijkgewogen variant, die elk bedrijf even zwaar laat wegen in plaats van de grootste het zwaarst. Warren Buffett koos een andere weg. Berkshire Hathaway verkocht minstens de helft van zijn Apple-belang, kocht Alphabet en houdt een bijna recordhoge kaspositie aan: een stevige positie die rendeert als AI zijn beloften waarmaakt, en een buffer die overeind blijft als dat niet gebeurt.
Zolang een handvol bedrijven steeds dominanter wordt, loont marktgewogen beleggen nochtans: de index groeit vanzelf mee met de winnaars. Sinds 2012, een periode van toenemende dominantie, bleef de gelijkgewogen MSCI World in dollar 2,7 procentpunt per jaar achter op de gewone index. Maar aan die dominantie zit een grens. Na het barsten van de internetbubbel verloren de grootste spelers jarenlang terrein, en deed de gelijkgewogen MSCI World het tussen 2000 en 2011 4,8 procentpunt per jaar beter. Niemand weet vooraf wanneer het tij keert.
Bij FinFactor kiezen we daarom niet voor één kant, maar spreiden we verder met onder meer factor-ETF’s en factorportefeuilles. Die selecteren aandelen niet op beurswaarde, maar op kenmerken zoals waardering, kwaliteit of volatiliteit. Dat zulke kenmerken op lange termijn een vergoeding opleveren, is uitgebreid academisch gedocumenteerd. Maar elke factor heeft zijn eigen goede en slechte jaren, en die vallen lang niet altijd samen. Wie ze combineert, spreidt niet alleen over bedrijven, maar ook over de redenen waarom aandelen renderen. Zo wordt een portefeuille minder afhankelijk van één technologie, zonder dat we moeten voorspellen wanneer de AI-hausse stopt.
Een tweede tegengewicht ligt buiten de beurs. Private equity zit de laatste tijd wat in het verdomhoekje, en niet zonder reden. Hamilton Lane ziet buy-out in de laatste vier jaargangen achterblijven op de beurs. De fondsen van 2020 tot 2022 kochten te duur en zullen ontgoochelen. Wie blind in private equity belegt, klopt de beurs niet.

Wie de beste beheerders kiest, kan dat wel. Volgens McKinsey haalde het beste kwart van de buy-outfondsen over tien jaar 24 procent per jaar, tegenover 15 procent voor de S&P 500. Het gemiddelde fonds haalt dat niet en levert na kosten en illiquiditeit een indexrendement op. Bij TTA nemen we daarom vaak maanden de tijd om één fonds grondig te analyseren.
Daarnaast biedt private equity echte spreiding. Op de beurs vind je zelden de bedrijven die in private equity zitten: kleinere, goed geleide groeibedrijven in sectoren die niet sexy klinken maar de wind in de zeilen hebben. Denk aan bedrijven die de diensten en technologie leveren om de Europese energie-infrastructuur uit te bouwen. Zulke bedrijven trekken later of nooit naar de beurs: het aantal Amerikaanse beursgenoteerde bedrijven halveerde tussen 1996 en 2020. Duur zijn ze evenmin. Buy-outs werden begin dit jaar gemiddeld gekocht aan 10,5 keer de bedrijfskasstroom (ebitda), volgens UBS 39 procent onder de S&P 500.
Een portefeuille moet dus meerdere scenario’s doorstaan. Een AI-crash, waarbij de rente daalt, vraagt een andere bescherming dan een inflatieschok, waarbij obligaties en aandelen samen zakken. Spreid de instap in private equity over drie à vier jaar en kijk naar beheerders die vroeg geld teruggeven. Uitkeringen zijn het enige cijfer dat niemand naar eigen smaak kan waarderen.
Wie denkt dat de marktgewogen index altijd wint, kijkt niet ver genoeg terug. Wie het einde van private equity voorspelt, is misschien wat voorbarig.
Wij kunnen ons natuurlijk vergissen: als de AI-hausse gewoon doorloopt, blijven ’onze portefeuilles een tijdlang achter op de index. Dat leggen wij liever uit dan het omgekeerde.
Meer vermogen
Experts in vermogen
-
Ruben Casteleyn Marketing & Sales Officer - WP Hotels & Events
Bedrijven in vermogen
-
ABN AMRO Private Banking
Uw toekomst én die van uw onderneming in veilige handen Elk vermogen is uniek en heeft zijn eigen...